Stof

donderdag, maart 20th, 2008

Het laken onpersoonlijk
krakend om je witte kin
waarin je tanden niet jouw tanden
en je handen onwaarschijnlijk stil

Je huid je warme koele huid
je houdt je ogen
voor mij altijd jouw ogen
achter ouwelblad verborgen
zonnestofjes dalen rustig
op de gele wafeldeken neer
de brillenglazen waardoor jij niets meer ziet
weerspiegelen het harde licht dat ons omringt

Roerloos lichaam twijfelend bestaan
groevend leven vloeit weg langs kantelraam
de bloemen staan in veel te hoge vazen
zien geen buitenwereld meer

Wij houden handen
tot ik besef het is mijn hand
nog maar
de jouwe houdt mij niet

Hij haar

donderdag, maart 20th, 2008

Zij rook hem in het brood
van de bakker met zijn jonge
veel te bleke vrouw
zij zag hem in de ogen
van iemand die haar
naar de tijd zou vragen

Het voelde haast alsof hij
altijd in haar was
al was zij ver en verderop
haast voelde het in haar
als was zij hem
en hij het brood de ogen
alles om haar
was hij
hij haar zij hem

Dankbetuiging

donderdag, maart 20th, 2008

De warme belangstelling
voor het vers gegraven graf
met daarin nu
de voor het weekend overledene
was overweldigend
net zoals de geur van de wattenbollen-
puntbroodjes met jonge zweetkaas
op de familiereünie achteraf

Wij zullen het nooit vergeten

Krans

donderdag, maart 20th, 2008

Schuw raakte zij de modder
op zijn ruwe wangen aan
met beide palmen,
veegde strepen naar zijn oren
Hij boog het hoofd
bloed droop van zijn kruin
in haar jurkenschoot
en maakte bloemenranken
waar zij knopen droeg
tot een vol boeket ontstond
van rozen en seringen
en van violieren

Bezieling

donderdag, juni 1st, 2006

Waar zou zij zijn
als hij niet aan haar dacht;
zou zij leven, zuchten, zien?

Zou hij haar levend denken
en door haar in gedachten
die zucht te laten slaken
haar voor eeuwig echt,
stil levend kunnen maken?